Ze zijn nu toch al bijna zes maanden oud en zowat verdriedubbeld in grootte. De tijd dat ik ze allebei op één arm kon dragen is voorbij. Dat ze ’s nachts in de living mochten rondhangen, ook. Dus heb ik ze een warm nestje gemaakt in de garage en verhuis ik iedere avond water-, eet- en kakbak daarheen. Alsook de poezen. Eerst de ene vastgrabbelen, dan de andere te pakken krijgen, de ene weer op de grond, de andere erbij passen en ze dan samen onderoks trekken. Dat lukt me voorlopig nog wel.
Waar ik echter meer en meer last mee krijg, is ze terugvinden in huis. Vooral de kater ontwikkelt een felle exploratiedrang, wat ik hem niet in het minst verwijt. Maar dat hij dan wel even komt als ik roep. Elementaire beleefdheid, vind ik dat, samenwonende huisgenoten onder elkaar zo. De kattin is op dat vlak veel correcter. Ze antwoordt zelfs met een intonatie in haar gepur: mompelend, vragend, gillend of kirrend.
Maar goed, “zoek de poes” was het. Tof spelletje. Zo vond ik de kattin na een half uur terug in mijn kleerkast, waar ik haar eigenhandig en nietsvermoedend moet opgesloten hebben. Of de kater ontsnapt via een raam dat welgeteld vijf minuten heeft opengestaan. Achter de kachel, het fornuis of de frigo. Onder het bed, op de kast of in de douche. En maar superstil blijven zitten, zeker als je er luidkeels voorbij komt gekropen, rammelend met het eetbakje. Heel plezant allemaal, als je daardoor bijna te laat op je werk komt.
Zopas voegde de kater er een nieuwe schuilplaats aan toe: de grote cilindervormige wasmand, voorzien van een houten deksel met daarin een gat van een vuist groot (nou ja, een mannelijke vuist dan). Compleet verhuld door de linnen zak en bedwelmd door de geur van vuile was, moet hij daar al een tijdje gezeten hebben, toen ik binnen kwam en m’n broek tot op m’n enkels liet zakken.
Een meter hoog spring je, als er opeens snorharen uit het gat van je wasmand komen!
