Maar nú zal de tv mij pas echt weten te boeien op donderdagavond zie! “Het zesde zintuig” prikkelt wel degelijk mijn zinnen, want Lentesneeuw is graag bezig met het mystieke, het occulte, de gene zijde… Mijn visie over wat is en mijn geloof in wat er op ‘t eerste gezicht niet is, doe ik later nog eens uit de doeken. Ik kom vandaag met een heel ander verhaal…
Hang ik gisterenavond dus alleen voor tv, dekentje over mij heen, comfortabel in de zetel, geabsorbeerd door de wereld van waarzeggers en wichelarij. Een zwartharige vrouw was net bezig een moord van 20 jaar terug aan het herbeleven… toen ik opeens van de schrik letterlijk versteef.
Er werd hard en onregelmatig op het venster van onze living geklopt. ‘t Waren duidelijke tikken, niet zomaar van een waaiende tak, neen. Dit waren tikken met een wil. Onze living ligt aan de straatkant en voor de ruit staat een haag met een perkje, waar iemand wel degelijk kan overspringen.
My god! Of hoe het brein in enkele seconden de situatie opmeet: licht binnen, donker buiten, ik zie niemand staan, maar die iemand ziet MIJ wel zitten… waarom klopt iemand in het midden van het venster? Nood? Waarschuwing? Jachtgeweer in de hand en aan het mikken op mij? MIJ? Blijf dan niet zo stokstijf zitten gapen naar het venster, kind!! Ik spring recht, hou het deken wijd achter mij heen, zodanig dat die iemand niet ziet waar ik er precies achter zit. Ik loop naar de deur, doe het licht uit, deur open én toe. Gek hoe je aan alles denkt: de deur dicht, zodat een eventuele kogel mij niet meer kan raken.
Ik loop naar de keuken, m’n vader zit er niet. Hij staat buiten! Ik begin hem door het raam heen uit te kafferen. ‘t Zou de eerste keer niet zijn dat hij me zoiets lapt. Maar hij schrikt ook, weet écht van niets. Ik zie dat hij het meent. Hij ziet dat ik het meen. Ik roep hem binnen, zeg dat er iemand voor onze living staat. Doe die achterdeur op slot!
Verdamme! Ik loop naar boven, in alle stilte en donkerte. Naar de slaapkamer, waar ik het venster zachtjes opentrek en naar beneden tuur, de straat afgluur. Ik zie en hoor niemand.
Terug naar beneden. M’n vader beetje verward. We moeten buiten, besluit ik. En gij gaat mee! Hij neemt de zaklamp. Ik nog steeds met het deken rond mij gewikkeld, als was ik daardoor onkwetsbaar… het licht aan buiten, de klink van de voordeur in de hand en… SNOK open… nog niemand… we sluipen verder. Gefocust, spiedend, achterom kijkend of er niemand door de open voordeur naar binnen glipt. Bijna aan het perkje, aan het begin van de haag. Ik zie iets! Ik zie een schim, maar ‘t is klein, ineengedoken. Dáár! Voor de ruit!!
M’n vader richt de zaklamp…
en vliegensvlug loopt een joekel van een kater de tablet af, weg van ons.
GOD DAMNIT! GODVER dat ik zo moet vloeken!
Ik schiet opgelucht in een lach en al zeker met al mijn manoevres die ik eerder in de living had staan maken…
Uw mening