Vroeger was het toch een stuk gemakkelijker. Je liep in je blootje rond en kwam een mannetje tegen. Dat mannetje riep “oehoe” en jij stak je kont de lucht in. Een paar meter verder stond nog een mannetje die het hele tafereel had aanschouwd en zowaar zelf opgewonden was geworden. Duidelijk opgewonden. Opnieuw “oehoe” en. Omdat niemand wist van wie de kindjes waren, bleef de hele groep bij mekaar en zorgde iedereen maar voor iedereen. Zo moeten ze wel gelukkig geweest zijn, onze voorouderen. Nooit eenzaam, nooit seksloos, nooit kinderloos.
De era’s passeerden en we leerden rechtop lopen. Een kont in de lucht zwieren op commando lukte al minder goed. Bovendien stond niet iedereen meer op dezelfde ooghoogte. Zo sprong de ene wél in het oog en de andere juist niet.
Het wiel werd daarna uitgevonden en mensen begonnen weg te rijden uit de groep. De mannetjes leken er zelfs door betoverd en bouwden kastjes om bovenop de wielen te plaatsen. Een fascinatie die ze nooit meer kwijt zouden raken. En de aandacht voor de kont verslapte alweer.
Op den duur bleef van die hele groep helemaal niets meer over behalve wat individuen die niet op dezelfde ooghoogte stonden en af en toe wegreden met hun wielenkast. Het communiceren lukte wel, maar veel moeilijker dan indertijd. Tegen dan waren de hersenen ook een stuk groter en werd het concept “denken” geïntroduceerd. De kont kon pas omhoog gaan als én het communiceren goed zat én het denken juist.
Ik had vanmorgen zo’n “oehoe”-moment en niemand hoorde mij.
Uw mening