Het gaat over de nacht die komt. De nacht van 11 op 12 augustus. En elk jaar weer word ik eraan herinnerd.
Ik hoor nog steeds het piepen van de slaapkamerdeur. Hun slaapkamerdeur. Ik herinner me nog zijn stille stappen tot voor mijn eigen deur. Of neen, geen stappen. Het waren de afdrukken van zijn blote voeten op het laminaat. Die hoorde ik. En daarna de klink. Heel zachtjes naar beneden.
Ik kneep mijn ogen strak dicht. Hij verwachtte immers dat ik sliep, want hij zou me komen wakker maken. Dat was de afspraak, zo moest het gebeuren. “Ons geheimpje”, had hij die avond gezegd. “Vannacht kom ik je wekken.” Dat moet je net zeggen tegen een kind.
Ik hield die nacht stokstijf de wacht, tot hij kwam. Ogen wijd open. Oranje lichtjes op de muur die door dat ene overgebleven spleetje van de rolluiken kwamen. Oren wijd open. Hun ademhalingen, ritmisch en synchroon. Alsof ze zelfs in hun slaap één wilden zijn. Toen er één stopte, ging de andere nietsvermoedend alleen verder. Een gesmoorde hoest. De blote voeten. De klink. Het moment was bijna daar.
“Je moeder mag hier niets van weten”, had hij nog gefluisterd in mijn rechteroor. “Je moet zo stil mogelijk zijn.” Ik had hem slaapwel gekust en hij had mij een kruisje gemaakt op m’n voorhoofd. Ik giechelde bijna. Stel je voor, een geheim alleen van ons! Hij keek me strak aan en knikte ‘nee’ in de richting van moeders rug.
Hij stond in mijn kamer nu. Zijn adem vlakbij en in de verte een blaffende hond. Ik voelde zijn duim langs m’n wang glijden. “Tijd om wakker te worden”, zei hij zacht. Ik deed alsof ik uit een diepe slaap kwam, rekte me net iets te veel en te lang uit, opende langzaam m’n ogen en zag het schijnsel van een zaklamp op mijn bed gericht.
“Waar gaan we naartoe vake?”, vroeg ik. Hij glimlachte alleen maar en hield zijn wijsvinger voor zijn mond. Juist ja, stil zijn…
Op blote voeten daalden we allebei de trap af, trede voor trede. Het huis had wel iets akeligs, zo midden in de nacht. Maar ik moest niet bang zijn, wist ik, want mijn vake, groot en sterk door al dat buitenwerk, kon alles en iedereen verslaan. Mijn vake, die nu toch wel heel mysterieus bleef en me begeleidde tot de achterdeur.
Daar stonden twee paar laarzen. Zijn groene en mijn rode. “Trek die maar aan”, zei hij. Ik begreep er nog steeds niets van, maar gehoorzaamde. Hij leek wel fier te zijn. Trots dat we al zover waren gekomen. Net voor hij de deur open deed, sloeg hij mij een deken om en deed zelf een jas aan. Ik zag het kringetje licht vooruit gaan, tot midden in de tuin.
“Kom dan kijken”, zei hij vanaf de plek waar hij stond. We mochten blijkbaar al wat luider praten. “Maar wat is daar dan?”, vroeg ik een beetje bang. Het was donker buiten en kil. Een groot verschil met de zwoele zon overdag. Ik zette een paar stappen vooruit en priemde naar waar de zaklamp scheen. “Niet hier”, zei hij, “dáár!” en hij wees naar de lucht.
Ik keek omhoog. “Jaja, net daar, gezien?” De laatste keer dat ik vake zo enthousiast had geweten, was toen ik hem de uit wasknijpers geknutselde pennendoos had gegeven voor vaderdag. Ik keek nog eens omhoog en zag de maan en de sterren. Ze blonken tegen een gitzwart decor. Dat? Dat kende ik toch al? Wat was er nu…
En daar was ze dan. Mijn allereerste. Ik liet een gilletje los en tekende met mijn vinger haar staart na in de lucht. “Vake vake!”, trok ik aan zijn mouw. “Jaaa, ik heb haar ook gezien”, lachte hij. “Blijf maar kijken, er komen er nog een heleboel. Gaan we ze tellen? Jij en ik?”
Wat moet het toch deugd doen, te zien dat je kind wild wordt van net dezelfde dingen…
Uw mening