Laat ik u nog eens meevoeren naar de oehoetijd. U weet wel, daar waar de vrouwen hun dagen vullen met manden vlechten en vervolgens bessen plukken in het bos om diezelfde mandjes gevuld te krijgen. Daarnaast beschermen ze hun gezamenlijke vijfendertig kinderen tegen loslopend wild en ander gevaarlijks.
De mannen slaan ‘s morgens hun lendenlap om en gaan de hele dag op jacht in het uitgestrekte savannelandschap. Met pijl, boog en stalen zenuwen, that is. O ja, natuurlijk wordt er gegrapt over de vrouwen en de afmetingen van wat ze zullen vangen. Maar ze zijn zich goed bewust van hun prominente taak binnen de groep. Zonder hen zou niemand het overleven.
‘s Avonds komen de stoere binken thuis met op elke schouder een everzwijn, zebra of -als het echt een goeie dag is geweest- een olifant of twee. De vrouwen hebben ondertussen het kampvuur aangewakkerd tot hooglaaiende vlammen. Het twee meter lange spit hangt daarboven al gloeiend heet voor te roteren.
En dan gebeurt het.
De mannen leggen hun zware lasten af, net daar waar de vrouwen bezig zijn met de veenbessenmarinade. Er worden geen blikken gewisseld. Geen vragen over hoe de dag is geweest. De vrouwen weten dat ze nog niets mogen zeggen. Nu nog niet. Want ze weten dat hun mannen eerst en vooral naar het kampvuur trekken. Om daar in de vlammen te staren. Heel stilletjes zitten ze daar allemaal in een kring. Elk in hun eigen gedachtenwereld. De dag te overpeinzen. Sommigen graven zelfs dieper en beschouwen de laatste tien jaar.
En zo gaat het nog altijd. Mannen hebben nood aan “in de vlammen staren”. Op belangrijke punten in hun leven trekken ze zich even terug in hun “hol” om daar rustig te kunnen denken. Beslissingen te nemen. Tot zichzelf te komen.
Fascinerend, vind ik dat.
Uw mening