Oh, wat is het gras toch altijd groener aan de overkant. Zalig, sappig, frisriekend gras met aan de sprieten dikke druppels dauw die net niet willen vallen. Een mals vol groen tapijt waarop je niet stapt maar eerder veert. Met open armen tol je tien keer om je as tot je duizelt. En je lacht. Lacht om wat het leven is.
Ik lachte niet. Deze morgen in de stapvoetse file, de veel te lange afstand die ik dagelijks moet doen. De digitale cijfers op m’n klok een kleine drie kwartier zien verspringen. Heen. En terug. Zou ik bellen dat ik mogelijks te laat zou komen? Neen. In gedachten zag ik de tros leerlingen wanordelijk “in hun rij” staan, alleen overblijven op de speelplaats, halsreikend uitkijken naar de schoolpoort en mekaar toefluisterend: “Yes, ze is er niet.”
Ik zou er met veel plezier gaan bijstaan en heel luid roepen, schreeuwen zelfs: “Yes, vandaag geen les aan jullie!”
“Yes, dit is de rotste opdracht ooit.”
“Yes yes, nooit meer les!”
De file gaat accordeongewijs weer verder. Heb oftewel niet genoeg of zeer slecht geslapen deze nacht. Ik bekijk mijn vale gezicht in het spiegeltje en zet m’n beste leerkrachtengezicht op. Pf. Wat een hoop komedie. Belachelijk hoeveel werk ik weer heb gestopt in achttien aparte lesvoorbereidingen (wat goed is voor één week), zes verschillende jaarplannen (want zes verschillende handboeken) en een hoop verbeteringen. Crapuleus hoe weinig tijd ik voor mezelf heb, laat staan voor anderen.
En voor wat? Voor een handvol onnozelheid, kinderachtig gemekker, “mevrouw, Nederlands is saai” en “Jongen, ge zijt zelf het toppunt van saaiheid in mijn lessen”. Op die manier kan ik die glimlach niet meer opbrengen. Het eeuwige, eindeloze geroezemoes van veel te grote klassen, van een mengelmoes aan diverse richtingen bij mekaar geflanst, want ja, Nederlands is “maar” Nederlands en dat is voor iedereen gelijk. Ik moet zelfs mijn bank afstaan omdat de leerlingen niet allemaal deftig kunnen zitten.
Vind je ‘t gek dat ik dan geen overzicht meer hou? Dat ik niet weet uit wiens bevallige hand de propjes nu weer zijn geschoten? Ik wijs ze terecht. Ik voel mijn buik ineenkrimpen, mijn keel dichtsnoeren, mijn longen naar adem grijpen.
En ze zien het. Als aasgieren die hongerig toekijken hoe vlees bederft, zo langzamerhand. Neen, ik mag de moed nu niet verliezen. Ja, ik moet doorbijten, blijven berispen, blijven terecht wijzen, hen blijven aanmanen zich te gedragen volgens hun leeftijd. Maar dat maakt me godverdomme zo moe.
Ligt het aan mij? Ligt het aan hen? Aan de “Wij hebben hier vorig jaar gekampt met serieuze tuchtproblemen”-school? Om m’n eigen zelfbeeld nog een beetje te beschermen, zeg ik op dit laatste volmondig JA. Het is de mentaliteit aldaar.
En oh, wat mis ik mijn vorige school. Daar waar alles tot in de puntjes georganiseerd verliep, waar het collegiaal vangnet breed en gemoedelijk was, waar de leerlingen zich gedroegen als waarlijke vijfdes en zesdes: bijna-volwassenen met hier en daar nog puberale uitlopers. Maar er viel mee te klappen en daarna mee te werken, en dát maakte het verdomme plezant!
Ik kon deze middag niet snel genoeg in m’n auto zitten om al even vermoeid als voor de vakantie twee sigaretten na elkaar te paffen. Om het allemaal te vervloeken en me af te vragen waaróm ik niet ben ingegaan op die halftijdse in mijn eigen regio. Waarom nog onderwijs, eigenlijk?
Het gras aan de andere kant lonkt. Al zullen daar ongetwijfeld ook pieren onder zitten woelen.
Uw mening